] Fragment III: Kunstonderwijs en de breuklijn in de samenleving
floorplan Palace of Typographic MasonryPALACE about
(You are using a an older browser that can't show CSS Grids, so things might not look as intended.)

The Masonic Lobby

arrow
Drukvel 'Excerpts from 'Facing the Palace floor plans' (detail), ontwerp: Richard Niessen, druk: RaddraaierSSP

Fragment III: Kunstonderwijs en de breuklijn in de samenleving

‘Bij de plattegrond van het Paleis’ is een tekst van Richard Niessen en werd in september 2020 gepubliceerd in een katern van 32 pagina’s. Een aantal notities kon later pas worden uitgewerkt en verschijnen nu als addendum.

“Wat valt je op?”
Ik zag dat ze allemaal hetzelfde waren. Op het A4-tje dat hij mij voorhield stonden de beeldmerken van musea, waaronder het Stedelijk Museum, het Van Gogh en het Rijksmuseum, in schreefloze kapitalen. De Ontwerper liet me een ander printje zien. Dit waren de logo’s van modelabels, internetgiganten en banken die er precies zo uitzagen.
“Je ziet het, alles is helder, onwrikbaar en ondubbelzinnig… waar is het vreemde en het irrationele gebleven, dat wat afwijkt of vragen oproept? De twijfel of de charmante mislukking?”
Buiten hoorde ik de tram rinkelen.
“Dit zijn in feite cosmetische façades van doelmatigheid. Wat afwijkt, wat zich daarachter bevindt, krijgen we niet meer te zien.”
Maar viel er dan ècht niet te ontsnappen aan deze ongenaakbare eenvormigheid? Hier herkende toch niemand zich meer in? We hadden het al gehad over de instituten, de beroepsvereningen… konden de opleidingen niet iets betekenen?
“Marktwerking en globalisering hebben óók het kunstonderwijs in Nederland dramatisch veranderd…”
De Ontwerper legde de A4-tjes weer op de tekentafel.
“Academies zijn net als andere scholen een soort leerbedrijven geworden, gemanaged door een laag aan de top, terwijl aan de onderkant de werkdruk wordt opgevoerd voor docenten met tijdelijke of helemaal geen contracten.”
Dit ging al meteen de verkeerde kant op.
“Deze leerbedrijven opereren op een meer en meer geglobaliseerde markt. Buitenlandse studenten – of ze nu uit Zuid Korea of Brazilië, Italië of Oekraïne komen – verbeteren met het aura van openheid de reputatie van een school en ze zorgen voor extra financiën. Als ‘marktspelers’ profiteren onze academies daarom zowel op financieel als op inhoudelijk vlak van de internationalisering van het hoger onderwijs.”
Het was ergens wel ironisch, merkte ik op, dat terwijl onze eigen maatschappij zich er niet meer om bekommerde, internationale studenten hier de kennis en kunde van het grafisch ontwerpen kwamen halen.
“Het is wel iets waar je vraagtekens bij kunt zetten, inderdaad. Omgekeerd is deze creatieve ‘brain-drain’ misschien ook wel desastreus voor de zogenaamde ‘landen van herkomst’…”
Daar had ik nog niet aan gedacht. Het zal in ieder geval een nòg verdergaande expansie van het Westerse ontwerpen niet in de weg staan, vulde ik aan, niet wetend of ik dit grappig bedoelde.
“Dat niet alleen, het houdt ook de belangrijkste breuklijn in de hedendaagse samenleving in stand.
De afgelopen decennia is de gemeenschap in twee delen uiteen gevallen: de winnaars en verliezers van globalisering – de ‘anywheres’ en ‘somewheres’.”
Ik kende de riedel. De maatschappij, gedomineerd door de economische dimensie, was georganiseerd rondom het verhaal van de neoliberale meritocratie. Iedereen was zèlf verantwoordelijk geworden voor succes of falen. Maar het was een competitiemodel met zéér ongelijke startkansen…
“Je kunt de de ‘anywheres’ aanwijzen als een minderheid die bijna alle politieke, journalistieke, zakelijke en artistieke elites vormt. Ze zijn er trots op tolerant, egalitair, autonoom, open voor verandering en individualistisch te zijn. Daar tegenover staat een meerderheid van ‘somewheres’. Zij zijn sterk geworteld in het lokale, zijn meer gericht op de gemeenschap, stabiel, patriottisch en traditioneel.”
De Ontwerper schoof zijn stoel naar achteren en ging staan. Hij hervatte zijn betoog terwijl hij door de lobby ijsbeerde.
“Ik zie je denken: wat heeft dit met de kunstacademies te maken? Nou, op sommige afdelingen, met name die van het grafisch ontwerpen, is het aandeel buitenlandse inschrijvingen ondertussen meer dan 80%. Logischerwijs komen deze studenten uit de hogeropgeleide klasse met een kosmopolitisch wereldbeeld. En hoewel ze zijn opgegroeid in totaal verschillende plaatsen op de wereld, overlapt hun culturele achtergrond voor een heel groot gedeelte en vormen ze in feite een vrij homogene groep.”
Heel even stond hij stil.
“Grafisch ontwerpers zullen nog minder dan voorheen uit het somewheres gedeelte van de samenleving komen. Dat deel bezit echter misschien wel de meeste diversiteit maar is totaal afwezig op de academies. De onderste klassen hebben daardoor nog minder invloed op de collectieve verbeelding.”
In mijn hoofd probeerde ik het samen te vatten: niet alleen was het speelveld verkleind, ook de toegang daartoe was beperkt.
“De generatie ontwerpers waar slagersjongen Anthon Beeke of kleermakerszoon Jan van Toorn deel van uitmaakten was wèl in staat om met informeel, poëtisch of politiek werk de samenleving bottom-up vorm te geven. Dat had geleid tot een divers cultureel landschap in de openbare ruimte. Het had enig gevoel van controle en invloed, grip en vertrouwen gegeven.”
Dat was de afgelopen decennia wel verdampt. Ik kon me voorstellen dat het vak, àls men al van het bestaan af wist, geen hoge status had aan die kant van de kloof.
“Met weinig garantie op succes als individueel ontwerper zullen de kinderen van vrachtwagen-chauffeurs, zorgverleners, winkelpersoneel of schoonmakers zich vandaag de dag inderdaad niet snel inschrijven voor een opleiding tot grafisch ontwerper. In Entreprecariat: Everyone Is an Entrepreneur. Nobody is Safe betoogt auteur en designer Silvio Lorusso overtuigend dat de zogenaamde ‘creatieve industrie’ voor een groot deel draaiende wordt gehouden door het ‘entreprecariaat’. Lorusso bedacht deze samenvoeging van ‘entrepreneur’, ’precair’ en ‘proletariaat’ om de ondernemende en hoopvolle, maar ook relatief arme en onzekere groep ontwerpers te beschrijven die hoopt haar veelal onbetaalde arbeid in de toekomst te kunnen verzilveren.”
De ‘somewheres’ konden die investering zeker niet veroorloven.
“Precies, en je begrijpt dat de ‘anywheres’ daar heel wat minder moeite mee hebben. Met hun culturele en economische kapitaal houden kinderen van hoge ambtenaren, academici, kunstenaars, doctoren of rechters het vanzelfsprekend veel langer vol.’
De Ontwerper ging weer zitten.
“Aan creativiteit is geen gebrek, maar die wordt niet ingezet voor èchte emancipatie. In tegendeel, het visuele jargon zorgt juist voor méér distinctie: klasseverschil uit zich het meest hardnekkig in de kunsten. De toegang tot de eigen groep wordt gereguleerd door middel van een subtiele code die binnen de muren van de musea of de exclusieve designwereld begrepen wordt, maar die de publieke ruimte amper bereikt.”
Nee, daar werd men zoetgehouden met Hema-worsten op ‘Typisch Nederland’ postzegels! Ik begreep dat men er niet serieus op uit was de onderlinge afstand te dichten. Met vermeende culturele superioriteit werd het narratief van winnaars en verliezers in stand gehouden.
“Ontwerpers werken met veel bevlogenheid rondom thema’s als technologie, klimaat, privacy, inclusiviteit en gezondheid. Hiermee wordt de suggestie gewekt dat men de wereld wil veranderen, ook al is het resultaat niets meer dan een signaal naar de andere zijde van de kloof: ‘kijk eens, wij staan aan de goede kant!’. Het leidt af van de vraag welke klasse uiteindelijk het meest heeft geprofiteerd van de uitbuitingssystemen die hebben geleid tot de wereld die men nu zo graag wil verbeteren.”
Dat de verbeelding top-down werd georganiseerd en dat dit de mogelijkheden voor èchte ongehoorzaamheid, tegendraadsheid en kritiek ondermijnde, daar waren we het over eens.
“Ik verlang naar een frontale aanval op de veresthetiseerde maatschappelijke norm met zijn heldere, onwrikbare en ondubbelzinnige vormen.” De Ontwerper wees op de A4-tjes met de identieke beeldmerken op zijn tekentafel. “Deze doelmatige monocultuur in de publieke ruimte – wat doet dat uiteindelijk met een collectief geheugen?”
Er was een schreeuwend gebrek aan een alternatief. Utopiën werden ten slotte gevoed door verbeeldingskracht, waarvoor ontwerpers zonder angst de gebaande paden moesten kunnen verlaten.
“Het is daarom hoopgevend dat het Stimuleringsfonds een actieve bijdrage aan meerstemmigheid probeert te leveren. Voor ontwerpers, onderzoekers en makers die zich zonder een relevante ontwerpopleiding hebben ontwikkeld, zijn er de zogenaamde ‘scout nights’. Veel ontwerpers die hiervan gebruikmaken behoren tot de groep somewheres waarin een keuze voor een kunstacademie nu eenmaal niet voor de hand ligt.”
Ik begreep dat het voor hen op die manier weer mogelijk zou moeten worden om het publieke domein te bereiken, wat voor een gezonde diversiteit en een rijkere bodem voor identificatie zou kunnen zorgen.
“Natuurlijk moeten dan ook de gemeenschappelijke instituten het speelveld vergroten, deze ontwerpers toelaten en ze de vrijheid geven, niet alleen binnen hun muren, maar juist óók in de openbare ruimte. Publieke opdrachtgevers moeten verantwoordelijkheid durven nemen en afstappen van de puur instrumentele blik op communicatie die heeft geleid tot deze eenvormige façade. Er staat toch wat op het spel, zou ik zeggen!”