] Fragment II: Beroepsverenigingen en engagement van collega’s bij gebrek aan ontwerpkritiek
floorplan Palace of Typographic MasonryPALACE about
(You are using a an older browser that can't show CSS Grids, so things might not look as intended.)

The Masonic Lobby

arrow
Drukvel 'Excerpts from 'Facing the Palace floor plans' (detail), ontwerp: Richard Niessen, druk: RaddraaierSSP

Fragment II: Beroepsverenigingen en engagement van collega’s bij gebrek aan ontwerpkritiek

‘Bij de plattegrond van het Paleis’ is een tekst van Richard Niessen en werd in september 2020 gepubliceerd in een katern van 32 pagina’s. Een aantal notities kon later pas worden uitgewerkt en verschijnen nu als addendum.

Terwijl de Ontwerper de stand van zijn vak schetste, waarbij hij aantoonde dat het ontwerpen voornamelijk een instrument was geworden om de status quo in stand te houden, vroeg ik me af of er dan geen beroepsvereniging was die dit ter discussie had kunnen stellen. Ik wist dat museumdirecteur (én ontwerper) Willem Sandberg na de Tweede Wereldoorlog vanuit het verzet de GKf (Gebonden Kunstenaarsfederatie) had opgericht. Deze organisatie balloteerde leden op voordracht en vormde een collectief artistiek engagement dat zich richtte op culturele emancipatie. Bestond dat nog?
De Ontwerper zocht in zijn boekenkast en pakte er een onmiskenbaar in de jaren ’90 ontworpen publicatie uit. “Hierin staat de geschiedenis van Nederlandse beroepsverenigingen van grafisch ontwerpers beschreven.”
Hij overhandigde mij de uitgave. De titel was Vak in beweging en terwijl ik er doorheen bladerde stak de Ontwerper van wal.
“De 200 leden tellende GKf fuseerde stapsgewijs, allereerst met de meer commerciële en minder principiële VRI (Vereniging van Reclameontwerpers en Illustratoren), later met andere verenigingen voor industrieel- en interieurontwerpers, illustratoren en stripmakers. Het huidige multidisciplinaire conglomeraat BNO telt maar liefst 1800 leden…”
Ik las terloops dat de publicatie ter ere van de oprichting van deze grote ‘branche-organisatie’ was uitgebracht. Ik sloeg de uitgave dicht en gaf hem weer aan de Ontwerper.
“Toen ik eind jaren ’90 probeerde actief te zijn binnen die BNO”, ging hij verder, “heb ik met eigen ogen kunnen zien hoe de vereniging vooral de belangen van de grotere bureaus behartigde. Men was duidelijk gedreven om economisch belang van de sector te bewijzen. De zelfstandige ontwerpers die gericht waren op een meer artistieke uitoefening van het vak, en zich nog altijd richtten op de culturele emancipatie die de GKf kenmerkte, waren tegen die tijd al lang geen lid meer.”
De Ontwerper viel stil en leek dit voldoende te vinden. Maar waren er dan geen specifiekere verbanden, misschien internationaal? Deze vraag bracht hem weer op gang.
“Ik ben in 2014, op voordracht, en na ballotage, lid geworden van de Alliance Graphique Internationale. Deze AGI, begin jaren ’50 opgericht in Parijs, is een beroepsvereniging van zo’n 500 ‘toonaangevende grafische kunstenaars en ontwerpers’ uit 40 landen over de hele wereld. In hetzelfde jaar werd Nikki Gonnissen, die samen met Thomas Widdershoven leiding geeft aan het grafisch ontwerpbureau Thonik, president van deze club. Haar missie was om ervoor te zorgen dat de relevantie van de AGI voor de volgende generatie zou worden gegarandeerd. Ze wilde iedereen betrekken, alle culturen en verschillende generaties, met het idee dat ‘een pluraliteit van standpunten nodig is voor elke democratie’.”
Ik stelde me voor dat de AGI van oudsher een club van grafisch ontwerp mastodonten was die wel wat diversiteit kon gebruiken.
“In 2017 was het grote AGI-congres in Parijs,” ging de Ontwerper verder, “en in de aanloop van dit event bracht Thonik een persbericht naar buiten. Het artikel had de vorm van een interview met ‘the woman who puts the ‘nik’ in thonik’ en begon met de aankondiging van het congres, waar gedebatteerd zou gaan worden over de hedendaagse relevantie van grafisch ontwerpen. Een onderwerp dat Gonnissen aan het hart ging, want: ‘grafisch ontwerp is een kunstvorm uitgerust om een dialoog tussen de boodschapper, het bericht en het publiek te vormen’. Ze wilde graag aantonen ‘dat de AGI niets uit de weg gaat om zijn sociale verantwoordelijkheid te nemen’, want, zo ging ze verder, ze speelde tenslotte zèlf ‘een belangrijke rol in de Amsterdamse ‘school’ van vrijdenkers, die zich opwerpt om door middel van hun werk sociale verandering de weg te wijzen’.”
De Ontwerper nam nog een slok van zijn koffie. Aan zijn stem was duidelijk te merken dat iets hem fundamenteel dwars zat…
“In de volgende alinea van het persbericht, dat overigens de titel ‘Graphic Design is an Art Form’ droeg, werd als voorbeeld van deze sociale verandering Thoniks eigen werk voor de Socialistische Partij genoemd: ‘het heeft ons een unieke gelegenheid gegeven om te werken in de voorhoede waar het politieke debat wordt gevormd’. Het was dus dit ‘engagement’ dat ze als leidraad nam in haar presidentschap van de AGI.”
Was daar iets mis mee, dacht ik toen er werd aangebeld. Een postbode bracht een pakketje dat de Ontwerper aannam en zonder het een blik waardig te gunnen weglegde. Hij wilde snel weer verder met zijn betoog.

“Hoe brengt Thonik het zo prominent geclaimde engagement dan eigenlijk in de praktijk? Het ontwerpbureau was bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de vormgeving van het Holland Festival van dat jaar…”
Van oudsher was dat één van de meest prestigieuze opdrachten die een ontwerper in Nederland kon doen. De affiches voor het festival waren al 70 jaar opvallende beelden in de publieke ruimte en vaak een weerspiegeling van de tijd of een commentaar daarop. Ik had zelf de posters van Daniel van der Velden & Maureen Mooren in de stad zien hangen, en die van Gielijn Escher of Studio Dumbar. Het waren, opperde ik, toch inderdaad producten van vrijdenkers die met hun werk de weg wezen?
“Hahaha, grappig dat je dat zegt. Het thema van het Holland Festival dat jaar was ‘democratie’. Een thema dat goed bij Thonik paste, zoals Gonnissen in een ander perbericht toelichtte: ‘Ik denk dat wat het festival en onze studio op een zeer essentiële manier verbindt, is dat we allebei voelen dat cultuur nodig is om sociale en technologische veranderingen te begeleiden.’”
De Ontwerper pakte zijn laptop en zocht naar wat afbeeldingen.
“Kijk, voor het ontwerp koos Thonik voor wat zij zelf een radicale aanpak noemden. Als uitgangspunt werd een digitale code gebruikt, ‘die werkt als een machine die data-deeltjes maakt - een enorm democratisch proces dat goed past in het thema. Het verbindt kleuren zoals mensen in een democratie zijn gekoppeld.’”
Ondertussen keken we naar de affiches, billboards en beplakte trams die op het scherm voorbijkwamen. Ik herinnerde me dat ik die op straat was tegengekomen. De in elkaar overlopende kleuren hadden me niet bepaald op een spoor richting ‘democratie’ gezet.
“Als je Thonik volgt kun je je troosten met de gedachte dat er geëngageerde ontwerpers zijn! Maar functioneren de beelden van het Holland Festival eigenlijk wel ècht als een aanjager van sociale veranderingen? Want… hoe dan? En wat is het verschil of overeenkomst in Thonik’s engagement in het werk dat ze voor de SP of dat ze voor bijvoorbeeld The Hyundai Department Store maken?”
Het was duidelijk dat Thonik de PR op orde had en de AGI gebruikte als vehikel om hun werk op de juiste plek te krijgen, een slimme manier om het bureau als geëngageerd en richtinggevend te framen. Daar stonden ze niet alleen in, ik had de afgelopen tijd verschillende bureaus zichzelf als wereldverbeteraar zien aankondigen. Dit was de beeldvorming die ook in het bedrijfsleven en de politiek zo effectief bleek te zijn.
“Door het ontbreken van onafhankelijke designkritiek, die nog minder dan de reguliere journalistiek van zichzelf kan bestaan, kunnen ontwerpers dit soort dingen ongestoord beweren. In de hoop dit onder mijn collega’s aan te kaarten heb ik Gonnissen een open brief gestuurd. Maar hoewel Thonik onmiddellijk het persbericht van hun website haalde, bleef het daarna stil en is dit onderwerp nooit meer aan de orde gekomen.”
Ik las hardop dat de studio zichzelf omschreef als ‘een ‘ontwerperscollectief’ dat zijn wortels stevig in de samenleving heeft, bereid om actief deel te nemen aan de dialoog over wat juist en wat eerlijk is’… Hierbij schoot de Ontwerper onbedaarlijk in de lach.
“Die dialoog zou ik wel eens met ze willen aangaan, misschien bij voorkeur in het door henzelf ontworpen kantoorgebouw aan de Wibautstraat, waarin het wezen van de ontwerpstudio op een veelzeggende manier is gematerialiseerd. Kijk, dat ziet er zo uit…”
De Ontwerper wees op het scherm. Het gebouw zag er uit als een staande rechthoek met een zwart-wit lijnenpatroon. Het meest opvallend was de diagonale buitentrap die over de hele voorgevel liep. In die stijgende lijn zag ik een overeenkomst met aandelen- en vastgoedgrafieken. Als dit de voorhoede van de beroepsgroep was die vorm moest geven aan verandering in de samenleving dan hadden we daar niet te veel van te verwachten. Ik keek naar buiten, waar het al geruime tijd aan het miezeren was.