] Fragment I: Instituten opgericht en afgebroken
floorplan Palace of Typographic MasonryPALACE about
(You are using a an older browser that can't show CSS Grids, so things might not look as intended.)

The Masonic Lobby

arrow
Drukvel 'Excerpts from 'Facing the Palace floor plans' (detail), ontwerp: Richard Niessen, druk: RaddraaierSSP

Fragment I: Instituten opgericht en afgebroken

‘Bij de plattegrond van het Paleis’ is een tekst van Richard Niessen en werd in september 2020 gepubliceerd in een katern van 32 pagina’s. Een aantal notities kon later pas worden uitgewerkt en verschijnen nu als addendum.

Ik onderbrak de Ontwerper in zijn zorgvuldig opgebouwde pleidooi voor een vrij en speels ontwerpproces en hoe dat de afgelopen decennia juist was ingeperkt. Ik was verbaasd dat er in Nederland geen instituut bestond dat zich over het grafisch ontwerpen had ontfermd. Er was toch wel een organisatie die het mogelijk had gemaakt kennis te creëren over de vorm en inhoud, het erfgoed en de toekomst van het vak? Was er niet een plek waar de intrinsieke waarde van het ontwerpen werd getoond of dat als platform voor debat diende? Er stond tenslotte toch wat op het spel, als het niet al te laat was? Zoiets als het Stedelijk Museum in Amsterdam, met zijn beroemde designcollectie?
Hij zuchtte. “Het Stedelijk Museum wil al decennia terug naar zijn hoogtijdagen, toen het onder leiding stond van grafisch ontwerper Willem Sandberg. Maar het laatste serieuze overzicht van grafisch ontwerpen ‘Niet mooi maar goed’ dateert alweer van 25 jaar geleden. Sindsdien is er wel sporadisch wat grafisch ontwerp getoond, maar altijd incidenteel en zonder samenhang. De gang van zaken rondom de in 2009 georganiseerde wedstrijd voor nieuwe huisstijl van het Stedelijk Museum illustreert misschien wel het best de verhouding die het instituut heeft met het vak. De toenmalige directeur Gijs van Tuyl bedacht dat het een voorbeeld-pitch moest worden en het Stedelijk was vast van plan met deze competitie een standaard neer te zetten. Het pakte echter anders uit: Van Tuyl werd opgevolgd door Ann Goldstein en zij zette de winnaar van de pitch, de Franse ontwerper Pierre di Sciullo, zonder inhoudelijke argumenten aan de kant en de door hem ontwikkelde huisstijl werd nooit gebruikt. Pijnlijk was het gebrek aan diepgang en vocabulaire in deze affaire, te volgen in de documentaire die Lex Reitsma hiervan maakte.”
Die had ik gezien, en misschien nog wel pijnlijker was het stille zwijgen van de ontwerpgemeenschap, voegde ik er aan toe. Met zo weinig collegialiteit had de professie geen vijanden meer nodig. We moesten allebei lachen.
“De recente komst van een nieuwe curator voor grafische vormgeving vergroot natuurlijk wel de kans dat het museum ons vak weer gaat omarmen en supporten…”
Dat zou fantastisch zijn, maar dat was natuurlijk nog maar afwachten. Bovendien was het museum in 2006 verzelfstandigd en daardoor al lang geen gemeentelijke dienst meer. Ik vroeg me af of de overheid dan nooit zelf had geïnvesteerd in een ander soort plek?
“Dat wel,” antwoorde de Ontwerper, “maar dat heeft heeft tot vrijwel niets of juist het tegenovergestelde geleid. In 1993 bijvoorbeeld werd met ruime middelen het Vormgevingsinstituut opgericht, om interesse en discussie in design te stimuleren. Die interesse en discussie richtten zich al snel op de eigen rol en na 7 jaar werd het gesloten. De voortzetting van dit instituut heette ‘Premsela’. Met een miljoenenbudget moest dit iets nieuws worden. Deze stichting heeft precies 10 jaar gefunctioneerd, van 2002 tot 2012. Toch is het mij niet duidelijk wat de stichting daadwerkelijk heeft bereikt of waar ze precies voor stond. Ik weet dat er onderzoek is gedaan naar het economisch belang van de zogenaamde Creatieve Industrie en dat er – wellicht terecht – kritiek is geuit op de veronderstelde heldenstatus van sommige ontwerpers. Maargoed… Premsela had een eigen tentoonstellingsplek, genaamd Platform 21. Die ruimte fungeerde als broedplaats voor een eindeloos gepland en nooit gerealiseerd designmuseum in Amsterdam. Bij Platform 21 wilden de curatoren vooral productontwerp vanuit een democratisch standpunt onder de aandacht brengen, en zodoende werd er volop ingezet op ‘social design’. Dat is prima, maar het betekende dat er in dat tiental jaren welgeteld één tentoonstelling werd gewijd aan grafisch ontwerpen. Ironisch genoeg was het een overzichtsshow om de heldenstatus van grafisch ontwerper Reza Abedini te benadrukken, een ‘must’ - vermoed ik - omdat hij de Prins Claus Prijs had gewonnen. Wil je dat ik doorga?”
Ik knikte.
“Dit is geen vrolijk verhaal, hoor. Uiteindelijk werden ook Premsela en Platform 21 opgeheven en ging dit spoor verder in het zogenaamde Het Nieuwe Instituut. Dit instituut bestaat nu acht of negen jaar. Los van het feit dat het zich positioneert als de ideale opdrachtgever voor grafisch ontwerpers, wat een goede zaak is, past het vak zèlf blijkbaar niet in één van de ‘onderzoekslijnen’ die ‘Het Nieuwe Instituut’ zichzelf heeft opgelegd. Vanuit die gedachte worden bijvoorbeeld tuinieren, obsessieve privéverzamelingen van objecten en het plaatsen van 1:1 decorstukken naar voren geschoven om ‘een ​​duidelijke focus op de ontwerpdisciplines te ontwikkelen’. Ik zeg niet dat dit allemaal oninteressant is, er komen soms heel inspirerende dingen uit voort! Maar het betekent dat we ook van dit multidiscplinaire instituut niet te veel hoeven te verwachten.”
Ik zuchte. Zo opgesomd had het bijna iets komisch, als het niet allemaal zo treurig was.
“Heel veel energie is ook gestoken in het ‘Graphic Design Museum Breda’. Dit museum opende in 2008 maar werd 3 jaar later al omgedoopt tot ‘Museum Of The Image’, waarmee het de focus verruimte tot beeldcultuur in het algemeen, en na vijf jaar eindigde ook dit museum. Om deze lijst af te ronden wil ik ook nog de ‘Bijzondere Collecties’ van de UvA noemen, die zich vooral richtte op het erfgoed van boeken, maar toch enkele interessante ontwerptentoonstellingen heeft gerealiseerd. Helaas sloot een paar jaar geleden ook dit instituut de deuren, en toen was er helemaal niks meer.”
Ik kon niet anders dan de Ontwerper gelijk geven, dit was allemaal niet erg bemoedigend. Ik begreep dat het voor hem onmogelijk was geworden om nog langer onverschillig toe te kijken hoe zijn vak steeds meer speelruimte verloor terwijl instituten werden opgericht, maar vooral weer werden afgebroken.
“Gelukkig zijn er al die tijd ontwerpers geweest die zèlf het initiatief hebben genomen om hun vak te vieren en te voeden. In Amsterdam bijvoorbeeld waren er begin jaren ‘00 avonden die Jack heetten, daarna volgde de huiskamergalerie Schrank8, nu zijn er nog steeds de kunstboekwinkel en presentatieruimte San Serriffe, de Monsterkamer, het programma van fanfare, tentoonstellingen bij ENTER ENTER, het platform voor internetcultuur The Hmm en lezingen bij Letterspace.…”
De Ontwerper leek weer wat op te klaren.
“Met veel enthousiasme en energie weet het grafisch ontwerpen zich op die manier wel actief te tonen en te ontwikkelen, maar met slechts een fractie van de mankracht en een snippertje van de budgetten van die grote instituten blijft dit alles helaas toch een onderonsje.”